Museumbezoeking is verschenen

Museumbezoeking_2D

 

Museumbezoeking, mijn boek over de hoogte- en dieptepunten van museumbezoek, is uit. In OBA-live sprak ik over het boek: http://radio.omroep.nl/f/297099/

Dat gesprek duurde 35 minuten. Informatie in 1 minuut kan ook; zie hiervoor deze trailer: http://www.whyilovethisbook.com/2015/06/pauline-slot-over-haar-boek-museumbezoeking/

En dan is er nog een kort interview op Hebban.nl: http://www.hebban.nl/mens/artikelen/pauline-slot-museumbezoek-is-iets-wat-je-moet-leren

 

 

 

 

 

Vincent van Duck

 

3005tzduck_def

Stukje ambitie

‘Wij willen graag, het is ambitieus, dat ieder kind in de wereld ten minste een keer het Van Gogh Museum bezoekt. In dat beleid past samenwerking met Donald Duck.’ Als ik het niet in NRC had gelezen, zou ik het niet hebben geloofd. Maar dit is een officieel citaat van een woordvoerder van het Van Gogh Museum. De aanleiding: de Donald Duck-versie van een zelfportret van Van Gogh die nu in het Van Gogh Museum te zien is. Eindelijk weten we waar die nieuwe ontvangsthal voor dient! Hij is om de jeugd van de wereld te verwelkomen. Mauritshuis, eat your heart out.

Klimaatimplicaties

Het Van Gogh Museum wil dus graag dat elk kind in de wereld ten minste een keer het Van Gogh Museum bezoekt. Dus ook dat meisje dat net door haar moeder is meegenomen naar de Islamitische Staat, en ook de jongen die in het Australische Coober Pedy woont, of het meisje op Tavewa, een eiland in de Yasawa-groep van Fiji. Denk alleen al eens aan de klimaatimplicaties van deze operatie! Tegen de tijd dat alle kinderen in de wereld een keer naar Amsterdam gevlogen zijn, staat het Van Gogh Museum waarschijnlijk onder water.

Garderobeproblemen

Of ben ik nu te negatief? Over hoeveel bezoekers hebben we het eigenlijk? Op dit moment telt de wereld zo’n 1.8 miljard jonge mensen, en elke seconde komen er zo’n vier nieuwe kinderen bij. Alleen al gelijke tred houden met de aanwas lijkt me lastig. Kan de garderobe van het Van Gogh Museum dat wel aan, om elke seconde vier jassen en tassen aan te nemen, ook nu er een nieuwe ontvangsthal is gebouwd? Wat zeg ik, acht, want de meeste kinderen zullen vergezeld worden door ten minste een ouder of verzorger.

En de website waarop al die kinderen een time slot moeten boeken, is die wel bestand tegen zoveel vraag? Om nog maar te zwijgen over de drukte in de zalen. ‘Als het je niet bevalt, koop je je eigen Van Gogh maar,’ hoor ik de directeur al zeggen, als de kinderen klagen over de drukte, in navolging van Wim Pijbes.

Ambassadeur

De logistiek moet wat gefinetuned worden, dat is duidelijk. Maar hoe zit het eigenlijk met de link met Donald Duck, die volgens de woordvoerder bij uitstek past in dit beleidsstreven? Wat is het verband tussen deze stripfiguur en de kunstenaar? De woordvoerder weet het wel: het blad Donald Duck en het Van Gogh Museum hebben beide educatie hoog in het vaandel staan.

Maar is Donald Duck wel universeel aansprekend? Ikzelf heb altijd de indruk gehad dat het om een jongensblaadje ging. Ik heb het in mijn jeugd dan ook nooit gelezen, en ik ben nog wel in een kapitalistisch land opgegroeid. En is Donald Duck nog wel – om een frase van deze tijd aan te halen – van deze tijd?

Souvenir

Goed, laten we even aannemen dat Donald Duck nog steeds hot en happening is, meisjes en jongens in Burkina Faso hem ook het einde vinden, en ook de logistiek dik in orde komt. Dan staan straks al die miljarden kinderen voor het oorspronkelijke zelfportret van Van Gogh. Goed gedaan, Van Gogh Museum! Maar wat zullen die kinderen zien? Niet het gezicht van de getergde Vincent, maar het olijke eendensmoel van Donald Duck, dat voor hen voor altijd met het origineel geassocieerd zal zijn. Gelukkig kunnen ze na afloop van hun bezoek naar de museumshop om daar een T-shirt te kopen. ‘I went to the Van Gogh Museum, and all I got was this lousy duck’.

 

Verschijnt in juni: Museumbezoeking

Jurick01

Wat doe ik hier? Die vraag kun je je overal stellen. Maar hij kwam in het bijzonder in mij op toen ik een paar jaar terug naar Londen vloog voor de tentoonstelling A Bigger Picture van David Hockney. De schilderijen waren prachtig en inderdaad groot genoeg om een blik op te kunnen werpen, ondanks de absurde drukte.

Maar ik vroeg het me toch opeens af, terwijl ik daar rondliep: wat doen we hier met zijn allen? Waarom gaan we in steeds grotere drommen naar must see  tentoonstellingen en belangrijke musea? Wat zoeken we daar? En wat gebeurt er als we eenmaal rondlopen op het visgraatpakket, onder die hoge plafonds?

De afgelopen jaren heb ik mij met veel plezier in die vragen verdiept. Ik keurde museumrestaurants, verbaasde mij over het aanbod in museumwinkels, bezocht nieuwe tentoonstellingen, herinnerde me museumbezoeken van lang geleden, en sprak met veel bezoekers over hun ervaringen.

Iedereen die weleens in een museum komt zal in Museumbezoeking veel herkennen: frustraties, verveling, opgetogenheid, en het gevoel dat in musea een strijd woedt tussen het ‘hogere’ en het banale, tussen het stille en het luidruchtige, tussen markt en publieke zaak. Het is de strijd die wij ook in onszelf voortdurend voeren.

Het boek eindigt met een klein manifest, waarin ik mijn tien wensen voor het moderne museum heb geformuleerd. Museumdirecteuren en museologen debatteren graag en veel over wat het museum moet zijn en doen. Als bezoekers hebben wij alleen het gastenboek. En binnenkort dus ook Museumbezoeking.

 

Meer informatie over het boek is te vinden in de zomeraanbieding 2015 van de Arbeiderspers:

De afbeelding bovenaan komt op het omslag. Het is een schilderij van Karin Jurick, een Amerikaanse kunstenaar die veel museumtaferelen schildert.

Biografie

Ik ben geboren in 1960, in het Haagse Statenkwartier, waar mijn ouders op kamers woonden. Het was de tijd van de woningnood. Toen er een gloednieuwe torenflat aan de Meppelweg gereed was, verhuisden we daarheen. ‘Bouwlust’ heette de lagere school om de hoek. Net als veel Hagenaars kozen mijn ouders tien jaar later voor een huis met tuin in Zoetermeer, waar de lust om te bouwen ook al niet te stuiten was. Daar ging ik naar het Erasmus College, een bijzonder leuke middelbare school, waar ze al een soort studiehuis hadden ingevoerd.

In 1979 begon ik in Leiden aan de studie Nederlands. Achteraf bleek die prima te passen, al was mijn keuze nauwelijks beredeneerd. Ja, ik kon goed opstellen schrijven. Overigens dacht ik er nooit aan om romanschrijver te worden. In 1981 werd ik er student-assistent taalbeheersing, en koos dat vak ook als afstudeerrichting. Mijn doctoraalscriptie ging over ironie.

Vervolgens trok ik in 1987 naar Amsterdam, om daar aan de UvA een proefschrift te schrijven. Samen met Willem Koetsenruijter produceerde ik in 1989 een leerboek, Het schrijven van betogen, dat tot 2013 in druk in gebleven is (toen verscheen de opvolger, Hoe schrijf ik een betoog?). Daarna was er in 1993 een proefschrift over retorische vragen in discussies, How can you say that? en de gepopulariseerde versie: Vroeg ik jou wat?, verschenen bij Contact.

Hoog tijd om de zaken eens op te schudden. Ik sloeg mijn huisraad op en fietste vijftien maanden lang door Australië en Nieuw-Zeeland, bezocht eilanden in de Stille Zuidzee en fietste door Canada. Ik kwam terug in Nederland met het idee voor Zuiderkruis. Drie jaar schreef ik aan dat boek, zonder te weten of het werkelijk een boek zou worden. Toen stuurde ik het naar uitgeverijen, waar het manuscript op de beruchte slush pile belandde. En waar het werd opgemerkt. Uitzonderlijk, zo begreep ik later.

Sinds het uitkomen van Zuiderkruis in 1999, het best verkochte debuut van dat jaar, zijn nog zes romans verschenen, alle bij de Arbeiderspers: Blauwbaard (2000), Tegenpool (2001), De inwendige (2006), En het vergeten zo lang (2010), Soerabaja (2012) en, het meest recent, in 2016: Dood van een thrillerschrijfster.

Zuiderkruis werd vertaald in het Duits en Italiaans, kwam op de longlist van de AKO-literatuurprijs en werd genomineerd voor de Debutantenprijs en de Vrouw&Cultuurprijs. Blauwbaard en Tegenpool kregen nominaties voor de Vlaamse Gerard Walschap-prijs, Soerabaja stond op de longlist voor de Opzij-literatuurprijs. In 2005 schreef ik het Leescadeau voor het Rotterdamse Lezersfeest, gepubliceerd onder de titel Een korte affaire. Tot op heden zijn van mijn romans ruim 200.000 exemplaren verkocht.

Recent verschenen ook twee literaire non-fictieboeken. In 2014 publiceerde ik De hond als medemens, een autobiografische exploratie van de verhouding tussen mens en hond, geschreven naar aanleiding van de dood van mijn nog jonge hond Molly. In 2015 verscheen Museumbezoeking, over waarom wij naar musea gaan en wat wij daar beleven.

Naast het schrijven doceer ik creative writing aan de Universiteit Leiden, en ben ik tutor bij de online schrijfacademie Edition en docent aan de Schrijversvakschool en het LAK. Ook begeleid ik mensen die aan een boek werken individueel. Daarnaast verzorg ik trainingen zakelijk schrijven en argumenteren, onder meer via de Denkacademie, Censor en Focus op Tekst.

Na enige omzwervingen woon ik tegenwoordig in Warmond, vlakbij Leiden, waar ik als onderbreking van het schrijven of redigeren langs het water wandel met mijn tweede hond, Saartje, en mijn partner, Pieter de Rijk. Sinds een paar jaar heb ik ook een oude boerderij in de Eifel. Daar kijk ik naar het prachtige uitzicht.